Voor Alejandro González Iñárritu was er maar een juiste manier om de ongereptheid van de Amerikaanse Frontier te capteren in The Revenant: door de essentie van die wildernis te kopiëren in zijn regie. Dus bande hij kunstlicht, filmde hij alles in chronologische volgorde en werkte hij - net als bij zijn voorganger Birdman - met lange, bewegende, onophoudelijke shots. Hoe een regisseur de kunst van het film maken dichter bij de natuur bracht.

Op de dag waarop de opnames van The Revenant begonnen, in de ongerepte wildernis van de Canadese provincie Alberta, bracht regisseur Alejandro González Iñárritu zijn driehonderd koppen tellende cast en crew bij elkaar aan de oevers van de Bow-rivier, waar ze meteen het ijskoude water in zouden waden voor een van de eerste actiescènes van de film. Ieder lid kreeg een rode roos. Cultureel adviseur Craig Falcon zette daarop een korte ceremonie in, waarin hij met behulp van oversten van de lokale Stoney-stam de filmproductie, de wezens in het bos en het omringende land zegende. Iñárritu vroeg iedereen om, in stilte, elkaars hand vast te houden. Daarna betraden ze het water, rozenblaadjes uitstrooiend over de barre natuurlijke omgeving waar ze maandenlang zouden moeten verblijven om de film te draaien.

Om het waargebeurde verhaal van de door een beer aangevallen bonttrapper Hugh Glass - mits enkele fictionele correcties - naar het scherm te brengen, zoals het in het echt moet zijn geweest, zat er volgens Iñárritu maar een ding op: iedereen die meewerkte aan de opnames moest zelf voor langere tijd in de koude wildernis verdwijnen. Wekenlang, bij weersomstandigheden die de temperatuur bij momenten onder de -30 graden Celsius brachten, en crewleden elkaar geregeld in hun tenten moesten onderzoeken naar tekenen van bevriezing. En daarna, toen de streek zijn warmste winter in 26 jaar bleek te moeten doorstaan en de besneeuwde omgevingen schaarser en schaarser werden, verhuisde de productie nog eens voor twee weken naar Tierra Del Fuego, op het zuidelijkste puntje van Zuid-Amerika, om terug de pure wintercondities te hebben die nodig waren om de scènes af te werken.

“We probeerden zo getrouw mogelijk te blijven aan wat deze mannen moesten doorstaan in die ongerepte territoria”

- Alejandro González Iñárritu

Rauwe beelden

Het waren, door de moderne uitrusting die de crewleden bij zich hadden, nog niet de omstandigheden die de trappers uit de vroege negentiende eeuw moesten doorstaan, want die hadden alleen maar dierenhuiden en kampvuren om zich mee te verwarmen. Maar het moest er zo dicht mogelijk bij in de buurt komen. “We probeerden zo getrouw mogelijk te blijven aan wat deze mannen moesten doorstaan in die ongerepte territoria”, zegt Iñárritu. “We maakten zelf fysiek en technisch moeilijke tijden door om iedere eerlijke emotie uit dit avontuur te persen.”

Het toont nog maar eens: als Alejandro González Iñárritu diep wil gaan, dan gaat hij diep. De in Mexico City geboren regisseur behoort tot wat men de ‘Mexican Film Renaissance’ noemt: een generatie van Mexicaanse filmmakers die de afgelopen tien jaar hun stempel drukten op de Amerikaanse cinema. Net als twee andere Mexicaanse cineasten waarmee hij in een adem wordt genoemd, Alfonso Cuarón (Children of Men, Gravity) en Guillermo Del Toro (Pan’s Labyrinth, Hellboy, Crimson Peak), staat hij voor een manier van regisseren die tegelijkertijd fantasierijker en rauwer is dan wat het cinemapubliek voor de komst van de drie gewend was, met films die dieper graven in de menselijke psyche, de natuur en volksvertellingen. Dat was ook te merken in zijn eigen werk: Iñárritu stond, voordat hij The Revenant maakte, al voor Amores Perros (2000), 21 Grams (2003), Babel (2006), Biutiful (2010) en Birdman (2014), films die elk hun eigen unieke universums hadden.

Om de natuurlijke omgeving van al die locaties, waar vaak vijf jaar aan research aan was voorafgegaan, zo accuraat mogelijk in beeld te krijgen, besloot Iñárritu om alleen maar natuurlijk licht te gebruiken voor de opnames: alleen het licht van de zon en - bij nachtopnames - dat van toortsen en kampvuren. Het impliceerde dat de tijd waarop er kon worden opgenomen behoorlijk kort was: iedere dag moest er bij het krieken van de ochtend worden begonnen, tot in de vroege vooravond, waarop volgens de regisseur het meest ‘magische’ licht over het landschap werd gedrapeerd. Hij gebruikte voor het eerst een digitale camera, een Arri Alexa 65, omdat de digitale opnameapparatuur hem toeliet om een cruciale negentig minuten per dag langer te kunnen opnemen. Bij klassieke filmcamera’s was het in de bossen van Alberta uitgerekend op dat ‘magische’ tijdstip al te laat om nog voldoende licht op de lens te krijgen.

Die ‘natuurlijke’ aanpak bracht ook met zich mee dat er vaak in een ruk door moest worden gefilmd: bij iedere shot was er nooit de zekerheid dat een tweede of derde take mogelijk zou zijn. Het liefst werkte hij met het soort lange trackingshots waarmee hij ook al furore maakte in Birdman. “We moesten het ritme van de natuur choreograferen”, zegt Iñárritu. “De juiste tijd van de dag zoeken. En dan bidden dat de weersomstandigheden hetzelfde zouden blijven.”

“Er was een zeker patina, een zekere atmosfeer, die we wilden onderhouden”

- Alejandro González Iñárritu

Ware cinema

Dat universum dat Iñárritu voor The Revenant creëerde op het scherm, kwam er ook dankzij het doorgedreven oog voor detail dat in de sets, de kostumering en de make-up kroop. Forten werden nagebouwd met hout dat de productiedesigners in de buurt vonden, om de groezelige pioniersgeest in de film te houden. Kostuums werden gemaakt van echt bont en echte huiden (op een humane manier verkregen via het Parks Department, de overheidsdienst die de wildparken in de Verenigde Staten overziet). En make-upartiest Graham Johnston ontwikkelde een laag maquillage die doorheen de chronologisch opgenomen scènes meer vuiligheid in de huid, door het haar en onder de vingernagels van de acteurs bracht. “Er was een zeker patina, een zekere atmosfeer, die we wilden onderhouden”, zegt Iñárritu.

Alleen de beer waarmee Hugh Glass in aanraking kwam, was niet echt; dat was het enige punt waar Iñárritu gebruik moest maken van computerbeelden. Maar voor het merendeel van de film werd er teruggekeerd naar een basalere soort quick-and-dirty cinema. “Alejandro is een old school-filmmaker die gelooft in de kunst om iets te creëren op het scherm”, zegt Leonardo DiCaprio. “Hij is ook een soort outsider, ook al werkt hij binnen de industrie. Hij begrijpt de filmindustrie zoals ze vandaag is, maar werd ook beïnvloed door een heel leven waarin hij de filmgeschiedenis bestudeerde, en ontwikkelde zijn eigen onbuigzame stijl, die vandaag synoniem staat met zijn naam.”

Die terugkeer naar de basis van het filmen was de enige manier om de historie van Hugh Glass, en de bonttrappers van de vroege negentiende eeuw, eer aan te doen, zegt de cineast. “Vandaag hebben we alle voeling verloren met de natuur, of toch het soort intieme contact dat die trappers ermee hadden. Maar de wildernis is altijd een deel van ons: wij zijn wolken, wij zijn rivieren. We zijn gevormd door dezelfde elementen. Wanneer je die plaatsen ziet, ontstaat er een connectie die je herinnert aan waar je vandaan komt en waar je naartoe gaat.”