In de vroege negentiende eeuw, voor de verovering van het Wilde Westen, de ‘gold rush’ en de industrialisering van het continent, exploreerde een handvol mannen het nog niet in kaart gebrachte hart van Amerika. Ze leefden ver van de bewoonde wereld, in de meest barre omstandigheden. De roep van de Frontier, en de menselijke en ecologische tol die ze eiste.

“Wij leren niet hoe groot wij zijn”, zei bergbeklimmer Reinhold Messner ooit over overleven in de wildernis. “Wij leren hoe breekbaar, hoe zwak, hoe vervuld van schrik wij zijn. Je krijgt dat alleen maar wanneer je blootgesteld bent aan groot gevaar.” Kou, honger, ontbering, bedreiging door wilde beesten: de bonttrappers die in de vroege negentiende eeuw het hart van de Verenigde Staten veroverden, weten er alles over. De geschiedenis en de populaire cultuur hebben er een al te romantisch beeld van opgehangen, dat écht niet strookt met de realiteit.

Met The Revenant wil regisseur Alejandro González Iñárritu dat rechtzetten. Door het verhaal van bonttrapper Hugh Glass, die na een aanval van een beer voor dood werd achtergelaten in het midden van de koude wildernis en zichzelf zwaargewond - goeddeels letterlijk - naar de bewoonde wereld moest slepen, wordt er getoond hoe gevaarlijk de natuur echt kan zijn voor de mens. “Wanneer je in de jaren 1820 alleen achterbleef in de wildernis, was je echt op jezelf aangewezen”, zegt scenarist Mark L. Smith. “Je kon niet je iPhone uit je zak halen om hulp te bellen.”

“Wij leren niet hoe groot wij zijn. Wij leren hoe breekbaar, hoe zwak, hoe vervuld van schrik wij zijn."

Reinhold Messner

Kapitalisme

De onvervaarde trappers die in de film worden getoond, waren natuurlijk wel wat gewend. De handel in dierenvachten begon in de late zeventiende eeuw, toen inheemse stammen de wonderlijk warme kleren ruilden voor de metalen werktuigen van de Europese inwijkelingen. Maar toen die laatsten ontdekten dat er een grote vraag naar bontkleren was ontstaan in de Europese grootsteden, en de prijzen van een pelsen hoedje of een bontmantel continu de hoogte in schoten, begonnen ze zelf de natuurlijke omgeving te ontginnen. En gingen velen dus, ondanks de bedreigende omstandigheden die de Frontier hen bood, hun fortuin zoeken in de jacht op en de verkoop van bont.

“Dit was een unieke tijd en plaats in de geschiedenis van het Amerikaanse westen, omdat het veel wilder was dan het ‘Wilde’ Westen dat we onszelf vandaag voorhouden”, zegt Leonardo DiCaprio. “Het was een compleet onbekende wildernis, een niemandsland waar weinig wetten golden. Deze trappers, die van Europa en de Oostkust kwamen, moesten de natuurelementen trotseren en overleven zoals eender welk ander dier.”

De economische bloei die uit de bonttrapperij ontstond, was zo groot dat velen het ontstaan van het moderne kapitalisme - en zijn uitwassen - terugbrengen naar deze periode. Er ontstonden bontbedrijven, die hun trappers verplichtten om voor hun eigen onderhoud, huisvesting en bescherming te zorgen, en zelf woekerwinsten maakten terwijl hun werknemers in de schulden belandden. En de ongerepte natuur werd - in wat regisseur Iñárritu als de eerste menselijke aanslag op de ecologie benoemt - leeggeroofd voor geldelijk gewin.

“Dit tijdperk was de start van de industrialisering in het westen”, vervolgt DiCaprio. “De handel in bont was, zelfs voor de ontdekking van goud en olie, een massieve, lucratieve business. Trappers trokken die ongerepte landschappen binnen, tussen de inheemse stammen, om grondstoffen eraan te onttrekken. En de vraag die je jezelf meteen daarbij kunt stellen is: aan welke kost?”

“Trappers gingen de Arikara vrezen, maar het gekke ding is dat Arikara-vrouwen ondertussen nog steeds huwden met sommige van hen. Als je hen respectvol benaderde, was er vrede.”

- Historicus Loren Yellowbird Sr.

Inheemse volkeren

De opmars van de bontbedrijven, die vanuit de oostkust van Amerika verder en verder het binnenland introkken en bergen, rivieren en bossen in kaart brachten voor het nageslacht, had ook zijn invloed op de verhouding die er ontstond tussen de ingeweken vroege Amerikanen en de inheemse volkeren. In The Revenant wordt bijvoorbeeld de wankele relatie tussen de trappers en de Arikara in beeld gebracht, een stam van nomadische volkeren die al meer dan duizend jaar de vlaktes van North Dakota bevolkten toen Glass en de andere trappers hun opwachting maakten in de omgeving. In 1804 hadden ontdekkingsreizigers Lewis en Clark hen nog te boek gesteld als ‘vredelievend’. Maar nadat ze meer en meer strijd moesten leveren tegen de trapperbendes, en een van die acties een charge uitlokte van het Amerikaanse leger, kwamen ze op voet van oorlog te staan. “Trappers gingen de Arikara vrezen”, zegt historicus Loren Yellowbird Sr. “Maar het gekke ding is dat Arikara-vrouwen ondertussen nog steeds huwden met sommige van hen. Als je hen respectvol benaderde, was er vrede.”

Hugh Glass, en de legende die hij werd na zijn onwaarschijnlijke overlevingstocht, werd zo’n beetje de verpersoonlijking van dat alles: hij was slachtoffer van zowel de ontberingen als de economische oneerlijkheid van de bonthandel, en kwam - hoewel hij eerder in zijn leven in harmonie had geleefd met een inheemse stam - eveneens in de strijd met de Arikara terecht. “Als je de geschiedenis van het bontjagen in de Rocky Mountains bestudeert, is het verhaal van Glass een van de eerste dingen die je tegenkomt”, zegt historicus Clay Landry. “Het is episch op een enorme schaal.”

De Amerikaanse bontjacht

Bekijk de tijdlijn